De uittogt uit Egypte.

 

"Looft den Heer, want Hij is goed; want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. Dien, die de Egyptenaren geslagen heeft in hunne eerstgeborenen: want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. En heeft IsraŽl uit het midden van hen uitgebragt met eene sterke hand, en met eenen uitgestrekten arm: want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid'' (Ps. 136). Heerlijke openbaring van Gods magt en van Gods liefde! De straf voor de Egyptenaren was de verlossing voor IsraŽl. De Heer had gezegd: "Omtrent middernacht zal Ik uitgaan door het midden van Egypte; en alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van FaraŲ's eerstgeborene af, die op zijn troon zitten zou, tot den eerstgeborene der dienstmaagd." Dat was de laatste plaag, die over Egypte komen zou - de dood in ieder huis. FaraŲ had niet willen hooren, en nu kwam de toorn Gods over hem. "Maar bij alle kinderen IsraŽls zal niet een hond zijne tong verroeren, van de menschen af tot de beesten toe; opdat gijlieden weet, dat de Heer tusschen de Egyptenaren en tusschen de IsraŽlieten eene afzondering maakt" (Exod. 11). De Heer alleen kon zulk een onderscheid maken; want geen IsraŽliet kon zich beroemen beter te zijn dan een Egyptenaar; allen hadden zij hetzelfde lot verdiend. De eerstgeborenen der IsraŽlieten waren niet schooner noch aantrekkelijker dan die der Egyptenaren. Maar God kwam met zijne genade tusschen beiden.

Zoo is het ook met ons. Wij hebben allen gezondigd, wij zijn allen verloren, wij missen allen de heerlijkheid Gods, en daarom hebben wij allen den toorn Gods en het oordeel verdiend. Er is geen onderscheid. De braafste zoowel als de goddelooste mensch is verloren en kan geen aanspraak maken op de eeuwige zaligheid. Gods genade alleen kan den weg daartoe openen. Geen werken, geen trachten of streven kan ons regtvaardigen; God is het, die regtvaardig maakt (Rom. 8 : 33). Wat zal ons alles helpen, wanneer wij voor Hem verschijnen, indien Hij ons niet regtvaardig verklaard heeft, indien zijne genade ons niet heeft verlost? Maar wie is er, die ons verdoemt, wanneer wij door Hem zijn geregtvaardigd? Dan mogen de zonden nog zoo talrijk, de schuld nog zoo groot, de vijandschap des harten nog zoo sterk geweest zijn, zijne genade geeft volmaakte rust, zijne regtvaardiging volkomenen vrede.

Maar hoe verklaart God ons regtvaardig? Beschouwen wij het voorbeeld in IsraŽl. De IsraŽliet stond op gelijke lijn met den Egyptenaar. Even als deze had hij de straf verdiend. Maar God wilde hem van de straf bevrijden. Doch dit kon niet zonder dat een ander die straf in zijne plaats droeg. God moest regtvaardig blijven ook in het verlossen. Daarom moest er in de plaats der eerstgeborenen een lam geslagt en het bloed van dat lam aan de deurposten gestreken worden. Waar nu dat bloed was, daar kon de verderfengel voorbij gaan, want daar was een offer gebragt in de plaats van den eerstgeborene, zoodat deze regtvaardiglijk vrij was. - Heerlijke type van de verlossing aangebragt door Hem, die niet door het bloed van stieren en bokken, maar door zijn eigen bloed eenmaal in het heiligdom is ingegaan! Wij waren allen verloren en hadden de straf der zonde verdiend; niemand onzer zou dit eeuwige verderf ontsnapt zijn, indien God zijnen Zoon niet tot verzoening had gegeven. Door de overgave van dien Zoon, die alles op zich nam, die onze schuld betaalde, onze zonde in zijn ligchaam op het hout droeg, die voor ons geoordeeld en onder den toorn Gods van God verlaten werd, was het God mogelijk ons te verlossen en te vergeven zonder onregtvaardig te worden. Christus leed in onze plaats, wat wij hadden moeten lijden; Hij droeg, wat wij hadden moeten dragen; Hij stierf den dood, dien wij hadden moeten sterven. God kan ons vrijmaken, niet omdat Hij de zonde door de vingers ziet, maar omdat Hij zelf in onze plaats een offer gaf. Waar nu dit offer wordt aangenomen, waar het bloed van Christus van alle zonden heeft gereinigd, daar kan rust en vrede in het hart zijn. Geen verderfengel kan daar meer slaan, geen vijand meer veroordeelen. God is voldaan; zijne geregtigheid neemt genoegen in het volbragte offer op Golgotha; ja wat meer zegt, het is naar zijnen wil, dat Jezus zichzelven gaf, naar zijnen wil, dat wij door zijne offerande geheiligd zijn. Heerlijke genade! Onbegrijpelijke goedheid Gods!

Maar mijn hart moet in deze genade rusten, want wat baat het mij te weten, dat alles volbragt is, dat Jezus Christus een volkomen, een door God gegeven en aangenomen offer is, indien mijn hart niet op dit offer vertrouwt, indien twijfel en onrust mij vervult. Helaas! hoevelen zijn er niet bij wie de vrees nog niet is buiten gedreven; die redeneren, maar niet gelooven; die willen zien, gevoelen en tasten, maar niet alles willen loslaten om eenvoudig op Gods liefde te vertrouwen. En toch is er geen reden om te twijfelen. De IsraŽliet kon rustig de komst van den verderfengel afwachten, omdat God gezegd had: waar Ik het bloed zie, daar zal Ik voorbijgaan. Onrust zou niet alleen ongeloof, maar verwerping van Gods getuigenis geweest zijn. Voorzeker moest de erkentenis er zijn, dat hij de straf had verdiend, dat het zwaard des verderfengels hem regtvaardig had moeten treffen; maar het lam was in zijne plaats gestorven. Dat was de vaste grond van zijnen vrede. Het oordeel was gekomen over een offer door God uitverkoren, en als hij dit geloofde, kon hij rustig feestvieren binnen zijn huis. Er was geen spraak van verdienste; het ik was geheel buiten gesloten. Zij waren alleen uit genade behouden. En zij behoefden niet te hopen of te bidden behouden te worden, zij waren behouden. Het bloed aan de deurposten en het woord van Jehovah stond er hun borg voor. Indien ťťn haar van hun hoofd was gekrenkt, zou het woord van Jehovah eene leugen en het bloed te vergeefs gestort geweest zijn. - Zoo is het met ons. De Heer Jezus heeft zijn bloed gestort tot onze verzoening; Hij heeft dat bloed in de tegenwoordigheid Gods gebragt, en de getuigenis Gods verzekert aan den zondaar, die gelooft, dat alle dingen volbragt zijn, - volbragt, niet door zijne waardering van het bloed, maar door het bloed zelf, hetwelk in de oogen Gods zulk eene waarde heeft, dat God alle zonden regtvaardiglijk kan vergeven. Bij het gevoel mijner schuld, bij het zien van de regtvaardigheid Gods heeft mijn hart vrede en rust, en ben ik zonder vrees, voor God te verschijnen. Het bloed van Christus reinigt van alle zonde. Die waarheid, die getuigenis van God geeft ons vrede. Niet mijn gevoel, of mijn werk, of zelfs mijn geloof kan mij rust geven, want dit verandert iederen dag, maar alleen het bloed van Christus, dat altijd dezelfde waarde blijft behouden. Ook mijne gedachte over het bloed of mijne waardeering daarvan geeft mij geen vrede; want evenmin als het bij den IsraŽliet de vraag was of hij het bloed zag, is het voor mij de vraag of ik het bloed van Christus zie, gevoel of naar waarde schat. God ziet dat bloed, en Hij schat het naar waarde, en dat is voldoende. Niet ik, maar Hij moet bevredigd zijn. En is Hij voldaan, dan kan ik het ook zijn. Zou ik niet tevreden zijn, waar Hij het is. Zou ik niet rusten, als Hij mij regtvaardig verklaart? Zou ik niet gelukkig zijn, als Hij mij van alles, wat mij tegen is, verlost? Of kan er een vaster grond voor mijnen vrede gevonden worden, dan het bloed van Christus? Onmogelijk. Geen wereld, geen zonde, geen duivel is in staat dat bloed van zijne kracht te berooven. Daarom kan ik, Gods getuigenis geloovende, met de IsraŽlieten feestvieren en mij verblijden in mijne volkomene aanname door het dierbaar bloed van Christus.