BESCHOUWING OVER DEN EERSTEN BRIEF VAN PAULUS AAN DE KORINTHIRS.

HOOFDSTUK XI.

 

Na al hetgeen de apostel gezegd had kon hij met volle vrijmoedigheid zich zelven ten voorbeeld stellen als iemand, die zich in alles verloochend had om anderen te behouden, evenals de Heer Jezus zulks gedaan had, die zijn leven had gesteld om ons te verlossen. Een zeer gewigtig beginsel ligt hierin opgesloten. Niet alleen Jezus, maar ook Paulus, een mensch van gelijke bewegingen als wij, kan zich zelven ten voorbeeld stellen; zoodat alle verontschuldigingen des menschen worden weggenomen, daar dezelfde genade, die in Paulus dit alles gewerkt heeft, ook ons deel is.

Hierna gaat de apostel over tot het behandelen van de inrigting der christelijke vergaderingen en tot het geven van verschillende regels, die men daarbij in acht had te nemen. Tot grondslag dezer inrigting legt hij de leer van de tegenwoordigheid en de werkzaamheid des Heiligen Geestes in de Gemeente, welke leer ten allen tijde voor haar van het grootste gewigt is. In de eerste plaats nu prijst hij de Korinthirs, dat zij hem in alles gedachtig waren en aan de door hem gegevene voorschriften zich vasthielden (vs. 2). Daarna geeft hij voorschriften over het gedrag en de houding der vrouwen in de vergadering. Om dit naar eisch te kunnen doen, moest hij ten grondslag zijner bewijsvoering de verhevenste beginselen des christendoms kiezen. Daarom stelt hij de Gemeente met God zelven in betrekking en toont de verbinding aan, die er tusschen den mensch, als de drager der heerlijkheid Gods, en God zelven bestaat. "Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het hoofd van Christus" (vs. 3). In deze orde klimt alles op tot God, van wiens welbehagen alles afhangt. Zijne eer moet de eenige beweegreden zijn, die ons bij ons doen en laten leidt. Indien nu de man met gedekten hoofde voor anderen bad, dan onteerde hij zijn hoofd, en indien de vrouw met ongedekten hoofde bad, dan onteerde zij haar hoofd (vs. 4, 5). En bovendien was het bidden met ongedekten hoofde voor eene vrouw onbetamelijk. "Want indien eene vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het leelijk is voor eene vrouw geschoren te zijn, of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke" (vs. 6). De man moet echter het hoofd niet bedekken, omdat hij eene magt is, en op dit standpunt met de heerlijkheid Gods als diens beeld bekleed is. Geene magt op aarde is boven hem en daarom mag hij ook geene magt op zijn hoofd hebben. De vrouw moet echter haar hoofd bedekken als bewijs harer onderwerping aan den man; haar deksel is een teeken van de magt, aan welke zij onderworpen is, als zijnde de eer en de heerlijkheid des mans (vs. 7).

Het is van groot belang de gedachten Gods over de betrekking tusschen man en vrouw te kennen. Bij de schepping zien wij zeer duidelijk dat de man zoo wel het hoofd der vrouw, als dat der schepping is. De vrouw is uit den man en niet de man uit de vrouw, zoodat de vrouw dus onder den man staat en de tweede orde onder de redelijke wezens uitmaakt (vs. 8). De man was door God heer der schepping gemaakt, en hoe diep de mensch ook gevallen is, zoo blijven de gedachten Gods met betrekking tot de orde in de schepping altijd dezelfde. Volgens Jacobus (hoofdst. 3 : 9) is de mensch ook nu nog naar het beeld Gods geschapen, en hoewel hij wat zijnen zedelijken toestand betreft op nieuw moet geboren worden, zoo blijft hij toch altijd met betrekking tot zijn standpunt in de wereld, als hoofd en middelpunt aller dingen - wat geen engel ooit geweest is - het beeld Gods. De vrouw neemt hieraan deel; zij is aan den man onderworpen. Deze gedachte Gods zal heerlijk vervuld worden in Christus, als de tweede man, die eenmaal alles onder zijne heerschappij zal brengen en alsdan zal de man wederom in den vollen zin des woords heer en meester over al het geschapene zijn, terwijl de Gemeente die door de vrouw wordt afgebeeld, in deze heerschappij met Hem zal deelen. Evenwel bleef die orde ook nu bestaan, en daarom zou de vrouw eene magt op het hoofd hebben "om der engelen wil" (vs. 10), aangezien deze hemelsche wezens, de toeschouwers der menigvuldige wijsheid Gods (Ef. 3 : 10), verlangen de gedachten Gods in de Gemeente in beoefening te zien gebragt, en het hunnen reinen oogen pijnlijk aandoet, indien zij in haar iets, al is het ook nog zoo gering, vinden, wat met die gedachten in strijd is. Om nu echter den man voor zelfverheffing en de vrouw voor moedeloosheid te bewaren, voegt de apostel hierbij: "Nogtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man, in den Heer. Want gelijkerwijs de vrouw uit den man is, alzoo is ook de man door de vrouw; doch alle dingen zijn uit God" (vs. 11 , 12). Beiden zijn in Christus n; de een kan niet buiten den ander; beiden hebben elkander naar de bepaling Gods noodig; beiden komen van Hem, en moeten zich, niettegenstaande de onderwerping der vrouw, als schepselen van God beschouwen, die in Christus volkomen n zijn. Hier wordt eenvoudig de vraag gesteld of het betamelijk is, dat eene vrouw ongedekt God bidde (vs. 13); en hierbij beroept de apostel zich op de orde der natuur. Het lange haar is eene schande voor den man, daarentegen is het voor de vrouw eene eer en een sieraad. Haar lange haar nu gaf reeds duidelijk te verstaan, dat zij eene magt op haar hoofd moest hebben, en dat het haar niet geoorloofd is zich met de vrijmoedigheid des mans voor aller oog te openbaren. Haar haar tot een sluijer gegeven, geeft deze bescheidenheid en onderwerping te kennen, openbaart haar waar standpunt en bewijst, dat hierin hare bijzondere eer bestaat (vs. 15).

Wij hebben in de uitvoerige behandeling dezer zaak een treffend bewijs van de liefde en langmoedigheid Gods, waarmede Hij zelfs in de ondergeschikte zaken bezig is den zwakken geloovige hier beneden te leiden en te onderwijzen, en daarom is het zoo bedroevend, wanneer deze bemoeijingen van God voorbij gezien en zijne liefderijke en langmoedige onderwijzingen niet behartigd worden, en wij integendeel naar onze eigene gedachten handelen of zelfs de gedachten Gods beoordeelen en aanmerkingen daarop maken. Alles wat voor onzen wandel zoowel als voor de inrigting der christelijke Gemeente noodig is vinden wij in zijn woord, het rigtsnoer van al onze handelingen. De apostel nu wist zeer goed, dat het de neiging van het menschelijk hart is om de gedachten Gods tegen te spreken, en daarom voegt hij er hier reeds van te voren bij: "Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonte niet, noch de gemeenten Gods" (vs. 16).

Paulus gaat zich nu uitsluitend met de christelijke vergadering bezig houden; en wanneer hij hen ook over hunne volgzaamheid met betrekking tot de ontvangene inzettingen kon prijzen (vs. 2), zoo kon hij dit met betrekking tot hunne vergaderingen onmogelijk doen, daar zij "niet tot beter, maar tot erger" zamen kwamen (vs. 17). Er openbaarde zich in hunne bijeenkomsten een geest van tweedragt, die den band der eenheid geheel dreigde te verscheuren, en die wanneer hij niet verdween, de gemeente zekerlijk in openlijke sekten of partijen zou verdeelen. En hoe treurig het ook was, dat zulke dingen openbaar werden, zoo waren zij evenwel noodzakelijk om de opregten onder hen te openbaren en hun de gelegenheid te geven zich van de anderen af te zonderen (vs. 18, 19).

Deze tweedragt nu openbaarde zich vooral aan het avondmaal, bij de gedachtenisviering van den dood des Heeren, zoodat de apostel tot hen moest zeggen: "Als gij dan bijeen zamenkomt, dat is niet des Heeren avondmaal eten. Want in het eten neemt een iegelijk te voren zijn eigen avondmaal, en deze is hongerig en de andere is dronken" (vs. 20, 21). Juist het avondmaal, hetwelk op eene bijzondere wijze de eenheid des ligchaams, d.i. der Gemeente, uitdrukt, openbaarde in de korintische gemeente de treurigste tweedragt. Velen dachten slechts aan zich zelven en niet aan de gemeente. Door zelfzucht gedreven kwamen zij op de plaats hunner bijeenkomsten, wachtten niet op de overigen, maar namen ieder hun eigen avondmaal en dronken zich dronken, terwijl de later komenden hongerig bleven. Welk eene oneer voor den Heer en welk eene verachting voor het feest zijns Zoons! Zulk eene zamenkomst had geheel en al het karakter eener gemeente Gods verloren. Zelfzucht en tweedragt vervulden de harten van hen, die te zamen waren gekomen om den dood van Hem te vieren, die de liefde is, die zichzelven vernietigd en zich voor allen prijs gegeven had. De dood, dien zij verkondigen wilden en waarvan de teekenen voor hen stonden, was het hoogste bewijs dezer liefde en overgave. O hoe onwaardig was het daar aan zich zelven te denken, den partijgeest te voeden, geene liefde voor de Gemeente Gods te bezitten, voor wie Christus zijn kostbaar bloed had vergoten - ja hoe onwaardig daar de ligchamelijke behoeften en zelfs de begeerten des vleesches te bevredigen! Dat was inderdaad niet des Heeren avondmaal eten. Zij maakten den disch des Heeren tot eenen disch tot stilling van den honger en daarom ontwijdden zij hem. Want de Heer had zijn avondmaal niet ingesteld om aldaar verzadiging des ligchaams te vinden, maar om zijne gedachtenis te vieren. Niet in de hoeveelheid der spijs, maar in het doel waarmede en de wijze waarop het genuttigd werd, lag de kracht. Ene bete broods en n teug wijns was voldoende. Zoo had de Heer het ingesteld zoo wordt het hier door Paulus gehandhaafd. Op bestraffenden toon zegt hij dan ook tot de geheele gemeente: - "Hebt gij dan geene huizen om er te eten en te drinken? of veracht gij de gemeente Gods, en beschaamt gij degenen die niet [1] hebben?" (vs. 22) Hij zegt deze woorden tot de geheele gemeente en niet alleen tot sommigen, daar de geheele gemeente van den eenvoudigen vorm des avondmaals was afgeweken. En hij keurt het niet alleen af dat men dronken aan de tafel des Heeren zat, maar ook dat men er hongerig kwam, en daarom wil hij dat allen vooraf te huis zouden eten, zoodat dan niemand hongerig behoefde te zijn en alles geregeld zou toegaan. Hij vermaant hen dan ook in vs. 33: "Zoo dan, mijne broeders! als gij zamenkomt om te eten, verwacht elkander." Zij zouden wachten totdat de geheele gemeente bijeen was, aangezien het avondmaal de uitdrukking was van de eenheid der leden van Christus.

Daar de eenvoudige avondmaalsviering te Korinthe dus geheel uit het oog verloren werd, zoo herinnert Paulus hun in vs. 23-26 aan de instelling des Heeren, die hij door eene bijzondere openbaring van den Heer had ontvangen, hetwelk ons aantoont, hoeveel waarde de Heer ook na zijne hemelvaart aan de viering des avondmaals hechtte. Dit wordt ook daaruit zoo duidelijk, dat de verachting van de tafel des Heeren en de wanorde, die daaraan plaats had, zulke ernstige straffen na zich sleepten. En voorzeker bij de vreugde der christelijke vrijheid te midden der magtige uitwerking van de tegenwoordigheid des Geestes, bij de uitoefening der gaven in de Gemeente, is de dood van Christus, zijn verbroken ligchaam en zijn vergoten bloed, tegenwoordig voor het geloof, het fondament van alle gedachten en van den geheelen eeredienst. In den nacht in welken Jezus verraden werd, was het zijne eigene vreugde, het verlangen zijns harten om bij het laatste Paaschmaal dit feest met zijne discipelen te vieren, opdat zij uit zijnen eigenen mond deze heerlijke woorden zouden hooren: "Dit is mijn ligchaam - voor u verbroken, en dit is mijn bloed - voor u vergoten." Hoe gewigtig ook ieder ander doel onzer bijeenkomst moge zijn, aan het vieren des avondmaals moet de eerste plaats gegeven worden. Daar verdwijnen alle gedachten aan ons zelven, aan onze zonden, aan onze onwaardigheid; daar is het alleen de plaats aan de eeuwige liefde van Hem te denken, die in staat was om in den nacht van het bangste lijden, waar Hij door al zijne discipelen verlaten en door n verraden zou worden, in het volkomen bewustzijn dat Hij de straf der zonde en den toorn Gods moest dragen, het oordeel Gods moest ondergaan, van God verlaten moest worden en den dood des zondaars moest sterven, zichzelven geheel te vergeten en alleen aan het geluk, de versterking, en den wasdom der zijnen te denken. Daarom is het ook een feest der dankzegging en der vreugde, en niet, van zuchten en klagen. De innigste gevoelens der liefde en der aanbidding worden daar opgewekt.

Het avondmaal toch is een feest ter gedachtenis des Heeren, "Doet dat tot mijne gedachtenis" zeide Hij zelf tot zijne discipelen en zegt Hij door Paulus tot ons. "Ik noem u niet meer dienstknechten, maar ik heb u vrienden genoemd" - is de heerlijke betuiging die wij uit zijnen mond hooren, en daar wij de grootheid zijner liefde in de volkomene vergeving onzer schuld en in de wegneming der zonde ervaren hebben, is ons hart overtuigd dat Hij in waarheid onze vriend is. Die vriend is echter niet persoonlijk bij ons, Hij is ingegaan in het hemelsche heiligdom om zijn bloed ter verzoening onzer zonden bij God te brengen en dr onze plaats te bekleeden, en daarom vieren wij feest tot zijne gedachtenis. Hij zelf heeft ons dien feestdisch bereid, daar hij wist hoe noodig het was dat wij ons telkens als n ligchaam rondom dezelfde teekenen - de onderpanden zijner volkomene liefde zouden vergaderen, opdat daardoor ons geloof steeds meer gesterkt zou worden en wij meer en meer ons zouden bezig houden met Hem - het eenig ware voorwerp des geloofs. Indien zijne liefde ons vervult, dan zal het ons een heerlijk voorregt zijn zoo dikmaals mogelijk aan dien feestdisch aan te zitten en dr zijne liefde te gedenken. Aan dien disch nu wordt ons het grootste bewijs van Jezus liefde voor oogen gesteld - de overgave van zijn leven aan het kruis. Zijn verbroken ligchaam en zijn vergoten bloed wordt ons daar aan de aandacht voorgesteld en in dezelve ontvangen wij de panden zijner liefde. Jezus zelf is nu in de heerlijkheid en als zoodanig wordt Hij ons aan het avondmaal niet voorgesteld; dit zou geene gedachtenis zijn, daar niemand Hem daar gezien heeft. Het avondmaal is eene herinnering aan hetgeen Jezus op het kruis was; het voorwerp des geloofs, is het verbroken en niet het heerlijke ligchaam; men denkt aan Christus hangende aan het kruis, men drinkt den drinkbeker ter gedachtenis aan zijn bloed, hetwelk vergoten is. Met n woord, het avondmaal stelt ons Christus als gestorven voor, een Christus zooals Hij nu niet bestaat. En wij zullen niet alleen aan dat verbroken ligchaam en dat vergoten bloed denken, maar aan den Heer zelven: "doet dit tot mijne gedachtenis." Hetgeen ons in het avondmaal voorgesteld wordt verbindt ons aan Hem, het herinnert ons niet alleen de waardij van zijne offerande, maar verbindt ons aan Hem zelven; het is de herinnering die de Heer ons geeft van zichzelven in den oogenblik, waar zijne liefde op de treffendste en volmaakste wijze is geopenbaard.

En indien ons nu in het voorgaande hoofdstuk vs. 14 gesproken wordt van de gemeenschap aan het ligchaam en bloed des Heeren, dan is daar dus sprake, in verband met het hier geopenbaarde, van het ligchaam van Jezus, dat gegeven werd als een offer voor de zonde en doordien het stierf verbrijzeld werd, gelijk Jesaja profeteerde, en van het bloed van Christus, dat als offerbloed gestort of geplengd is. Het is dus de uitdrukking der gemeenschap aan eene gebeurde zaak. De Heer zelf verklaart ons aan zijnen disch door ons de onderpanden zijner liefde te geven, dat wij gemeenschap hebben aan zijn verbroken ligchaam en aan zijn vergoten bloed. Door het geloof zijn wij met Hem verbonden geworden en hebben wij deel ontvangen aan zijn werk voor ons volbragt, en daarna vernamen wij uit zijnen mond: "Gij zijt mijne vrienden," en als zoodanig aan zijnen disch verschenen om zijne gedachtenis te vieren, ontvangen wij van Hem de onderpanden zijner liefde, waarin ons telkens op nieuw verkondigd wordt "mijn ligchaam is voor u verbroken, mijn bloed is voor u vergoten." Het geloof ziet aan de tafel des Heeren van het zigtbare op het onzigtbare; het ziet in plaats van brood en wijn, het verbroken ligchaam en vergoten bloed van Jezus, waaraan wij gemeenschap hebben. Het brood blijft brood en de wijn blijft wijn, maar het geloof houdt zich met deze zigtbare dingen niet bezig, het viert de gedachtenis van den lijdenden en gestorvenen Heer en Heiland, geniet de gemeenschap aan zijn ligchaam en bloed en wordt daardoor gesterkt om op nieuw de reis door de woestijn der wereld voort te zetten en door smaad en vervolging Jezus na te volgen [2].

Doch er is nog meer. Men viert niet alleen feest ter gedachtenis des Heeren; men verkondigt tevens, zoo dikwijls als men het brood breekt, den dood des Heeren. Het is onmogelijk eene meer belangrijke verbinding te vinden dan die, welke in deze twee woorden opgesloten ligt: de dood des Heeren. - Hoeveel ligt er niet in dit feit opgesloten, dat Hij die zich Heer noemt gestorven is! Welk eene liefde, welk eene volmaaktheid, welke gevolgen! De Heer is gestorven, welk eene gedachte! en deze verkondigen wij aan elkander en aan de wereld. De dood des Heeren is het einde van de betrekkingen Gods met de wereld op den voet der verantwoordelijkheid des menschen - uitgenomen het oordeel. Deze dood heeft iederen band verbroken, heeft de onmogelijkheid van het bestaan eener verbinding tusschen God en den mensch, als kind van den eersten Adam, aangetoond. Wij nu verkondigen dezen dood, die ons het leven bragt, die ons van het verderf verloste en al onze zonden voor eeuwig wegnam; wij vieren hem als de overwinning over wereld, zonde, dood en duivel, tot dat de verworpene Heer terugkomt en ons tot zich opneemt in den hemel, om daar ons volkomen deel te geven aan de betrekking die er tusschen Hem en God bestaat.

Aan de tafel des Heeren worden ons dus verschillende zaken voorgesteld:

  1. Wij vieren daar de gedachtenis aan de liefde des Heeren, die zijn leven voor ons gaf.

  2. Wij hebben daar gemeenschap aan zijn verbroken ligchaam en aan zijn vergoten bloed.

  3. Wij verkondigen daar zijnen dood.

  4. Wij verkondigen daar de eenheid van het ligchaam van Christus en oefenen gemeenschap met degenen die mede aanzitten, en

  5. Wij denken aan zijne wederkomst.

Het is daarom zeer natuurlijk, dat men zich schuldig maakt aan de verachting dezer heerlijke zaken, zoo men daaraan op eene onwaardige wijze deel neemt (vs. 27). Er is hier geen spraak, wie er aan de tafel des Heeren verschijnen kan, maar van de wijze waarop men er aan deel neemt. Ieder christen, behalve wanneer hij eene zonde begaan heeft die hem buitensluit, heeft het voorregt aan de tafel des Heeren te mogen verschijnen, omdat hij christen is, en het is een bewijs van eigene geregtigheid, indien men zich om de een of andere reden van de tafel des Heeren verwijderd houdt. Wanneer een christen echter op eene ligtzinnige wijze aan de tafel des Heeren deel neemt, zonder waarde te hechten aan hetgeen het avondmaal voorstelt en hetgeen Christus er aan verbonden heeft, en alzoo tusschen den disch des Heeren en een gewonen maaltijd geen onderscheid maakt, dan veracht en onteert hij het gebroken ligchaam en vergoten bloed des Heeren en Hij wordt gekastijd. Daarom zegt de apostel: "Maar de mensch beproeve zichzelven, en ete alzoo van het brood en drinke van den drinkbeker. Want die op onwaardige wijze eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het ligchaam des Heeren" (vs. 28, 29). De Heer kan onmogelijk toegeven, dat die zaak, welke den dood dien Hij voor de zonde stierf voorstelt, door zonde en nalatigheid ontwijd wordt. Dit zou hetzelfde zijn als het ligchaam des Heeren te onteeren. En hoe verschrikkelijk en onwaardig zou het zijn, indien wij met zijnen dood, waardoor Hij al onze zonden uitdelgde, de zonde vereenigden! Indien dit geschiedt, dan onderscheiden wij het ligchaam des Heeren niet, dan nemen wij aan het avondmaal des Heeren op eene onwaardige en ligtzinnige wijze deel en God zal ons daarvoor kastijden. Hij waakt met een heiligen ijver voor zijne eer. Om deze reden waren er dan ook te Korinthe vele zwakken en kranken en velen waren ontslapen [3] (vs. 30). (Verg. 1 Joh. 5 : 16; Joh. 5 : 14, 15).

Het is derhalve noodzakelijk zich zelven te oordeelen; en dit oordeel over ons zelven bestaat niet alleen in het belijden van de begane zonden, maar tevens in de veroordeeling van den toestand des harten en van alles waaruit het kwaad voortkomt. Men zal dit alleen dan kunnen doen wanneer men zich in het licht Gods bevindt. Eene zonde te belijden, die voor de hand ligt, gaat soms vrij gemakkelijk, maar de bron dier zonde te zien om daardoor tot een oordeel over zichzelven te komen, daartoe is het noodig in het licht te wandelen. Indien men zichzelven evenwel niet oordeelt, dan wordt men door God geoordeeld, en dit oordeel bestaat in kastijding - zooals het krank en zwak zijn en het vroeg sterven - uitgeoefend met het doel om het voorwerp dier kastijding niet met de wereld te doen verloren gaan (vs. 32). Welk een heerlijk woord te midden der kastijding! De Heer is steeds ten beste der zijnen werkzaam en daarom kan Hij hen ook niet in eenen onreinen toestand laten voortgaan; wij kunnen evenwel niet met de wereld verloren gaan, daar Christus voor ons is gestorven en al onze zonden heeft uitgedelgd. Zijn dood is het fondament, waarop wij voor altijd vast staan. Dit neemt evenwel niet weg, dat God ons moet kastijden. Hij kan onmogelijk het kwaad in zijn huis dulden, daar zijne heiligheid dit niet gedoogen kan en daarom moet Hij, zoodra het kwaad zich openbaart, dit op de eene of andere wijze doen ophouden en zijn huis daarvan reinigen. Helpt de vermaning des Geestes of van broeders niet, dan bezigt Hij daartoe kastijdingen, opdat wij niet hoe langer hoe verder van den regten weg zouden afdwalen en ons einde niet gelijk zou worden aan het vreeselijk einde der wereld. Evenwel blijft de liefde de drijfveer van alle handelingen Gods met ons, zelfs de kastijding. Al is hare uitoefening ook eene daad van geregtigheid, zoo is zij toch een bewijs van zijne onveranderlijke trouw en zorg voor de zijnen. Zijn naam zij daarvoor geprezen!


[1] Wij gelooven, dat de meening alsof hier van armen en rijken wordt gesproken slechts eene veronderstelling is, want de woorden "de een is hongerig en de andere dronken" (vs. 21) kunnen om het verband onmogelijk gerigt zijn tot de armen, die hongerig zijn, en de rijken, die overvloed hebben. Eerst zegt de apostel vs. 20 "als gij dan zamenkomt," dit zal toch wel de geheele gemeente zijn, dan zegt hij "want in het eten neemt een iegelijk te voren zijn eigen avondmaal" ook dit is tot allen gerigt of ten minste geheel onbepaald. En in vs. 22 vraagt hij aan allen: "Hebt gij geene huizen om er te eten en te drinken?" Zoodat de daar tusschen staande woorden slechts de wanorde duidelijk maken, die aan de tafel des Heeren heerschte en geenszins eene vermaning in zich bevatten voor den rijke om den arme geen honger te laten lijden. De vraag: "Hebt gij geene huizen om er te eten?" bewijst, dat Paulus niet wil dat men aan de tafel des Heeren zal komen om den honger te stillen, en daarom kan ook het vorige geene vermaning aan de rijken zijn om de armen te laten mede eten. Wilde men eten, dan moest men het te huis doen, zoowel de armen als de rijken. En tot wie is de vraag in vs. 22 gerigt? Aan de armen? Maar die kwamen aan den liefdemaaltijd, omdat zij te huis gebrek leden. Aan de rijken? Maar is het te gelooven, dat deze, daar zij te huis konden eten, zich liever aan den liefdemaaltijd verzadigden? Dit is hoogst onwaarschijnlijk. En Paulus zelf zegt: "Indien iemand hongert, dat hij te huis ete" (vs. 34). Er is derhalve geene spraak van het afschaffen van misbruiken aan den liefdemaaltijd, maar aan het avondmaal. De niet hebbenden in vs. 22 zijn dus niet de armen, maar degenen, die niets meer aan de tafel des Heeren vonden, daar de anderen alles hadden verslonden.

[2] Hetgeen de Heer in Joh. 6 zegt over zijn vleesch en bloed staat niet in het verband met het avondmaal, hoewel het waar is, dat men als zoodanig geene gemeenschap met Jezus kan oefenen indien Hij niet gestorven was. Vooreerst kon de Heer daar onmogelijk aan het avondmaal denken, daar Hij tot ongeloovigen sprak, dan spreekt Hij van zijn vleesch en bloed, en niet van zijn ligchaam en bloed. Ook denkt Hij bij de instelling des avondmaals aan zijn reeds verbroken ligchaam en aan zijn reeds vergoten bloed. In Joh. 6 wil de Heer de noodzakelijkheid voorstellen van de gemeenschap met Hem om het eeuwige leven deelachtig te worden en van de dagelijksche gemeenschap met Hem, om gevoed en gesterkt te worden.

[3] Het grieksche werkwoord χοιμαω wordt in het N. T. nooit van een geestelijk slapen gebezigd, maar in de meeste gevallen voor sterven, als in Matth. 27 : 52; Joh. 11 : 11, Hand. 7 : 60; 13 : 36; 1 Kor. 7 : 39; 11 : 30; 15 : 6, 18, 20, 51; 1 Thess. 4 : 13, 14, 15 en 2 Petr. 3:4, of van het gewone slapen in Matth. 28:13; Luk. 22:45; Joh. 11 :12; Hand. 12:6.