Het vertrouwen van Jezus.

(Psalm 16.)

"Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U. O mijne ziel! gij hebt tot den Heere gezegd: "Gij zijt de Heere, mijne goedheid raakt niet tot U; maar tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in dewelke al mijn lust is. De smarten dergenen, die eenen anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hunne drankofferen van bloed niet offeren, en hunne namen op mijne lippen niet nemen. De Heere is het deel mijner erve, en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lot. De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen, ja eene schoone erfenis is mij geworden. Ik zal den Heere loven, die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijne nieren. Ik stel den Heere geduriglijk voor mij; omdat Hij aan mijne regterhand is zal ik niet wankelen. Daarom is mijn hart verblijd, en mijne eere verheugt zich; ook zal mijn vleesch zeker wonen. Want Gij zult mijne ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten dat Uw Heilige de verderving zie, Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde is bij Uw aangezigt; liefelijkheden zijn in Uwe regterhand, eeuwiglijk."

 

Van het oogenblik dat wij in den Heer Jezus geloofd hebben, wordt in Hem de bron gevonden van alles, wat ons troosten, wat ons vreugde en vertrouwen geven kan; terwijl alles wat ons bedroefde, alles wat ons geweten veroordeelde of rigtte, in enkel en volkomene genade door Hem een einde nam. Zoo lang wij ons standpunt in Christus niet kennen, vreezen wij voor de waarheid, welke van de volmaaktheid eens heiligen spreekt; maar is het ons helder geworden, dan zien wij in, dat deze waarheid ons alleen zegen en vreugde brengt.

Zoo is het met dezen psalm. Weinige gedeelten der Heilige Schrift, geven ons zulk een gevoel van onze zwakheid en onze gebreken, zoo wel als van ons veelvuldig struikelen, dan deze psalm, en dat wel daardoor, dat in denzelven de volmaaktheid wordt voorgesteld van eenen, die zonder vlek voor God was, en nooit viel. Doch alles, wat Zijne uit- en inwendige volmaaktheid openbaart, kan bij ons slechts treurigheid en moedeloosheid bewerken, zoo wij het buiten het ware voorwerp, d.i. Jezus zelven, beschouwen. Indien wij onze harten verzekeren willen door de ondervindingen, welke ons de psalmen geven, dan kunnen wij alleen uitroepen: "Heer, ga van mij uit, want ik ben een zondig mensch." Geene ziel zou dan waren vrede kunnen deelachtig worden. En toch zoeken velen hierin hunne zekerheid; zij trachten dezelfde trekken, dezelfde ervaringen in zich te vinden, gelijk zij ons in de psalmen worden voorgesteld, en zij nemen deze tot maatstaf, om zichzelven te beoordeelen. In psalm 17 : 2, 3 lezen wij: "Laat mijn regt van voor uw aangezigt uitgaan, laat uwe oogen de billijkheden aanschouwen. Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht. Gij hebt mij getoetst, Gij vindt niets: hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet." Daar er nu gewis onvolmaaktheid gevonden wordt in onzen wandel en onze gezindheid, (hoewel de Geest Gods in ons woont) zoo kan zulk eene plaats nooit voor ons een zekere grond des vredes in de tegenwoordigheid Gods zijn. Onze vreugde is dan eerst volkomen, als wij elken eisch der heiligheid Gods vervuld, en in Jezus beantwoord zien. Toen God (gelijk Hij gedaan heeft) het hart en de nieren van Jezus proefde, vond Hij niets, wat niet beantwoordde aan Zijne heiligheid; en daarom is onze vreugde niet eer volkomen, dan tot dat wij zien en erkennen, dat Jezus daarheen is gegaan, waar verzadiging der vreugde en liefelijkheden in Gods regterhand zijn, eeuwiglijk. Ja, ons hart is dan gerust gesteld, als wij verstaan, dat de woorden in Hebr. 9 : 24 tot ons zijn gezegd: "Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezigt van God voor ons." En dit is waar van een iegelijk, die in waarheid met Hem in gemeenschap getreden is. Nooit is er n ellendig of bedroefd hart geweest, dat niet, toen het Jezus aanzag, in Hem, die hooger geworden is dan de hemelen, volkomene behoudenis vond.

De psalmen zijn dus voor zulke zielen, die in Jezus gelooven. Niet door te beproeven, schrede voor schrede in de voetstappen van Jezus te wandelen, verkrijgen wij het leven en de zegeningen. Neen, wij bevinden ons op eenmaal daarin, en wel door Hem, die dezen ganschen weg afgelegd, en thans bij den Vader is. Wij zijn op eenmaal in het bezit der zegeningen gesteld, welke Christus voor ons heeft verkregen. Wij behooren de psalmen te lezen als dezulken, die in Hem reeds behoud, zegen en heerlijkheid verkregen hebben; en eerst dan zijn wij op het standpunt geplaatst, waar wij met Hem kunnen zeggen: "Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U."

Deze woorden kunnen derhalve alleen toegepast worden op verlosten. Jezus sprak ze niet uit, omdat Hij voor zich zelven van den toorn Gods moest behouden worden. Hij kwam uit den schoot des Vaders in deze wereld; Hij stond daar, als de Heilige - "de Zoon des menschen, die in den hemel is." Nimmer was Hij minder dan dit; maar voor het uitwendige waren Zijne omstandigheden geheel veranderd, en Hij kon zeggen: "Bewaar mij o God, want ik betrouw op u!" Zoo kunnen ook wij, die omringd zijn door het kwade op allerlei wijze, en door vijanden die steeds trachten ons te verzoeken en in den loop te vertragen, dit gebed tot het onze maken. Velerlei omstandigheden zijn er, waarin wij ons dagelijks bevinden, - omstandigheden, achter welke satan zich verbergt, en waardoor wij met hem in strijd geraken. Nu kunnen wij f den satan in deze dingen toegeven, f wij kunnen God daarin eeren, en den satan overwinnen. Doch onze voeten zullen steeds uitglijden, en satan zal ons steeds overwinnen, indien wij in deze omstandigheden niet de kracht Gods door het geloof brengen, en daardoor overwinnen.

De Heer Jezus bragt altijd de gezindheid Gods in de tegenwoordige omstandigheden en vertrouwde op Hem, om de noodige kracht van uur tot uur te bezitten. Hij stond niet alleen; want als mensch betaamde het Hem niet, alleen en onafhankelijk te staan. Hij was degene, die elken morgen Zijn oor geopend had, gelijk zij die geleerd worden (Jes. 50 : 4, 5). Hij was de gehoorzame knecht, welke niet Zijnen wil deed, maar den wil eens anderen, en van dien was Hij afhankelijk. En zie! welk eene gezegende gemeenschap met den Heer Jezus moet eene ziel genieten, die bereid is, Hem op dit pad te volgen en in Zijne voetstappen te wandelen. Hij, die deze schreden eenigzins kent, moet steeds uitroepen: "Bewaar mij, o God, want ik betrouw op U!" Hij moet thans die plaats innemen, die eenmaal de Heer Jezus bekleedde.

Reeds hebben wij aangemerkt, dat de gehoorzaamheid ons noch behoud, noch vrede, noch heerlijkheid kan schenken; maar er is voor ons veel vreugde in het doen van den wil eens anderen. Het was eene vreugde voor Jezus, den wil Zijns Vaders te doen. Dit was de eenige toestand, waarin de groote vijand kon overwonnen worden. Derhalve nam Hij dien aan en vond er zegen in.

En nu, geliefde broeders, het hart, dat eenen anderen toestand lief heeft en verkiest, kan nooit in Jezus gemeenschap zijn. Mogelijk is het, dat een heilige in onafhankelijkheid van God wandelt en zelf de omstandigheden zoekt te leiden, en dat toch zulk een gezegend is, dewijl hij, wien God verlost heeft, gezegend is, en Hij nimmer kan nalaten, hem te zegenen die in Jezus gelooft, - een zoodanig christen dus, kan ontrouw wandelen, in eenen toestand van onafhankelijkheid van God zich bevinden; maar de gemeenschap van Jezus, die voor zich den afhankelijken toestand voor God verkoos, geniet hij niet. Is zulks nu bij eene ziel het geval, dan zal zij ook de moeijelijkheden op den weg, om in alle omstandigheden waardig te wandelen, niet erkennen, daar gewoonlijk deze moeijelijkheden eerst dan erkend en gevoeld worden, wanneer wij werkelijk op God vertrouwen; en dan komt ook deze gezegende uitroep uit het hart: "Bewaar mij, o God, want ik betrouw op U!" Geene uitboezeming zou eervoller voor de heiligen zijn, dan deze; - zij paste zelfs in den mond des Heeren, daar Hij het standpunt van gehoorzaamheid ingenomen had, en derhalve de moeijelijkheden in de omstandigheden gevoelde. Hij zeide: "Bewaar mij, o God, want ik betrouw op U!" Indien dus de ziel in verzoeking en strijd is, te midden der vurige pijlen van satan - want zij komen hevig aan op ieder, die in gehoorzaamheid tracht te wandelen - dan gaat deze ontboezeming tot God op. En geen uitroep is Gode welbehagelijker; hij komt voort uit den geest van Christus in hen, welke in den strijd met den booze zijn. Kennis Gods en zelfkennis worden daarbij voorondersteld; wij gevoelen, dat wij als mensch verzocht worden, en dus van God zijn onderscheiden. Hoewel Jezus waarachtig God was, zoo was Hij nogtans in gelijkheid der menschen gekomen, een volkomen en vlekkeloos mensch; - Hij leed, daar Hij verzocht werd.

"Tot Jehova sprak ik: Gij zijt de Heer!" - Deze taak is zoo moeijelijk te leeren, dat alleen de Heer Jezus dit zeggen en daarin volharden kon. Hij zeide het uit grond Zijner ziel, en week daarvan niet af. Hij kende Jehova en zeide tot Hem: "Gij zijt de Heer!" Dit is in tegenspraak met alle afgoden, - den Heer te onderscheiden van alles, wat ons hart, onze wenschen, onze gevoelens en onze gezindheid beheerschen wil, - weg te werpen alle afgoden, en Jehova boven alles te plaatsen. Dit werd slechts in Jezus volmaakt gevonden; God in alles wat wij doen als Heer te erkennen, onzen wil aan Hem te onderwerpen, in alle dingen, zoowel in de keus der middelen als in de uitvoering, onzen wil Hem op te offeren, dat beteekent: "Gij zijt de Heer!" In zoo ver dit in de harten der geloovigen verwezenlijkt is, zijn zij gelukkig; en zij zullen voor duizend angsten en nooden bewaard blijven, welke diegenen treffen, die andere heeren dienen. De ziel heeft dan gelijkvormigheid met Jezus, en deel aan Zijne vreugde; zoodra echter iets anders in het hart zich de regten des Heeren aangematigd heeft, zoo zal er zeker wanorde zijn in alle gevoelens en neigingen van het hart. Deze gedachten moeten den christen verootmoedigen en oordeelen, dewijl hij niet alleen zwak, ellendig en nietswaardig is naar het vleesch, maar ook, dewijl God hem den Heiligen Geest heeft gegeven, opdat hij sterk zijn zou, geschikt tot alle dingen door Jezus, die hem kracht geeft. En, geliefde broeders, indien onze harten ons zeggen, dat het niet aldus met ons gesteld is, zoo laat ons ons zelven over deze woorden oordeelen. De beproeving onzer gehoorzaamheid zal ons verootmoedigen en nederig gezind doen zijn, en alle zelfverheffende gedachten ter nederwerpen. Ja, ik ben overtuigd, dat indien deze waarheid getrouw op onze ziel toegepast wordt, zij ons eene gelouterde, zachte en ootmoedige gezindheid zal geven, welke in onze dagen onder de heiligen zoo weinig gevonden wordt.

In deze onderworpenheid vinden wij de goedheid, - de zedelijke volmaaktheid van verstand, wil en daad in Jezus. Alles, wat zich in Jezus aan verstand, gevoelen en neigingen, aan wil openbaarde, was volmaakt, en dit kenmerkte Zijne "goedheid." Maar wat zegt Hij van Zijne goedheid? Veroorzaakt zij Hem vreugde? Zeker, maar (Hij zegt) deze goedheid in mij, zal geen verschil in uw wezen, o God, maken; "mijne goedheid raakt niet tot U, maar tot de heiligen die op de aarde zijn, en de heerlijken in welke al mijn lust is." Het is steeds een deel van het geloof der dienstknechten Gods; te zien, dat er op de aarde is - eene heilige priesterschaar, in wie, als de aardsche tabernakel gebroken is, op eens de heerlijkheid van het licht, dat in hen is, schijnen zal. De uiterlijke zinnen zien slechts de aarden vaten; maar het geloof erkent gemakkelijk de pols, die, al is het ook zwak, voor Jezus slaat en gaarne aan Zijne wegen denkt. Het is vaak moeijelijk "deze heiligen" te kennen; maar daar, waar iemand is die den naam van Jezus belijdt en de vrucht des geloofs, dat in het hart is, openbaart, - daar zien wij een, aan wien Hij "Zijne vreugde" heeft, een, wien Hij bemint als zichzelven. De hebzuchtige, booze, ergdenkende gezindheid der wereld, zoowel als de vleeschelijke gezindheid in de heiligen (want beiden staan gelijk aan elkander) erkent ligt wat kwaad is, en houdt er van, de zwakheden en gebreken der heiligen op harde wijze te openbaren en uit te leggen, en de duivel ondersteunt dit altijd. Ja, het vleesch maakt de fouten der heiligen gaarne bekend, en beroemt zich dan, dat het niet zoo zwak is als een ander. Hoe verschillend is echter de geest van Christus! Niets openbaart zoo zeer de geestelijke gezindheid van Christus als de liefde, welke niet ergdenkend is, welke zich steeds verheugt een' heilige te vinden, hoe zwak en gebrekkig hij ook wezen mag. Is dit ook onze vreugde, geliefde broeders? Het is goed, wanneer wij deze vraag regt ter harte nemen. Wij zijn zeker gezegend, als wij ons met de gemeente Gods, zoowel in hare gevoelens, gedachten en neigingen, als ook in hare uitwendige getuigenis, n weten, wanneer wij haar als van God zijnde beschouwen, volmaakt, heerlijk, als die van welke Christus zegt: "aan welke ik al mijne lust heb;" en over welke Zijne "goedheid" blijft. Deze goedheid is voor haar, daarom kan zij wel als "heerlijke" beschouwd worden. Wij weten, dat de Heer Jezus zegt: "wat gij aan den minsten mijner broederen gedaan hebt, dat hebt gij aan mij gedaan."

Niets maakt in de praktijk eenen dieperen indruk op den christen, dan alle dagen aan Christus te denken, - niet slechts als in den hemel, maar ook als in de heiligen hier beneden, zoodat wij voor hen zorgen kunnen en zeggen: "aan welke ik al mijne lust heb." Indien wij dus God met de heiligen vereenzelvigen, - indien wij opzien tot God, en kunnen zeggen: "Bewaar mij, o God, want ik betrouw op U!" en op de heiligen zien en zeggen: "aan welke ik al mijne lust heb," - zeker, zulk eene ziel bevindt zich in een toestand van rijke, praktische zegeningen. Dan zullen de moeijelijkheden, die zich op den weg voordoen, slechts een tarwegraan zijn, dat in de aarde valt en sterft, opdat het veel vrucht voortbrenge. Geen dezer zaadkorrels zal verloren gaan; en hoewel er veel volharding noodig is, zoo zal toch de vrucht niet uitblijven - een rijke oogstdag zal komen. Merken wij nu op, hoe verschillend deze toestand is van dien, waarvan gezegd wordt: "De smarten dergenen, die eenen anderen GOD begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hunne drankofferen van bloed niet offeren, en hunne namen op mijne lippen niet nemen." Er is een onderscheid tusschen hen die van de wereld, en hen die van God zijn. De Heer zal met de eersten geene gemeenschap hebben. Hij zegt: "Ik wil geene gemeenschap hebben met de dingen, met welke zij gemeenschap hebben." "Drankoffers van bloed," - dat is de aard hunner heilige dingen; "zij loopen andere wegen." - Het doet er niets toe, hoe verre zij afgeweken zijn; hunne voeten staan op eenen anderen weg.

In vers 5 vinden wij Zijne heilige verhouding tot God: "De Heere is het deel mijner erve." Dit is waar van Hem en van ons. Ik wensch dat wij ons bij deze kostelijke gedachte een oogenblik bepalen. Onze vreugde is in God. Er is wel vreugde en medegevoel, maar geen waar geluk buiten God. Zijn de gevoelens en de vreugde des hemels het deel der ziel, zoo zal zij buiten God slechts ongelukkig zijn. Niets dan ellende zou er zelfs in den hemel zijn, ware, God zelf daar niet het deel van een ieder, die hem berft. Ik zal mij niet vermeten te verklaren, hoe dit geluk en deze zaligheid zijn zal; maar wanneer de ziel zich met de heerlijkheid zijner toekomst bezig houdt, dan is het zeer noodig, dat zij God zelven met haar deel en hare vreugde vereenigt, anders zou zelfs de heerlijkheid een te groote last zijn, want buiten God is de heerlijkheid ons vreemd.

"En mijns bekers." De beker is eene tegenwoordige zegening. Jezus ondervond dit, toen Hij hier beneden praktisch in de gemeenschap met God wandelde, en ook wij zullen het ervaren, als wij in Zijne voetstappen gaan. Geen zegen zal aan het einde voor ons verloren zijn, maar wij zullen nu zegen missen, ja, wij zullen dor zijn als wij ons geluk in iets anders zoeken dan in het bewustzijn, dat de Heer "het deel onzes bekers" is. Wij kunnen verschillende bekers voor ons bereiden; wij kunnen in deze of die dingen zegen zoeken, - doch niets zal ons troost en vreugde geven, niets volkomen zegen bereiden, indien niet de Heer "het deel onzes bekers" is. God alleen kan de ziel in waarheid bevredigen.

"Gij onderhoudt (bewaart) mijn lot." Bewaren, voeden, zorgen, - de ziel gevoelt, dat zij deze zaken niet missen kan, als zij ziet op de gevaren, die haar omringen. De ziel die geoefend is, siddert bijna, als zij eene vreugde of eenen zegen ontvangt, waarvan zij niet zeker weet, of het van God komt en door God bewaard wordt, wijl zij overtuigd is, dat al het andere gelijk gras op het veld verdorren zal. Maar kan zij met zekerheid zeggen: dit is geen beker zonder God, maar van Hem, dan ontvangt zij kracht en vreugde, en zegt met vertrouwen: "Gij bewaart mijn lot." Alle zegeningen dus, die ons van God toekomen, hetzij uitredding, hetzij kracht om te dienen, of ook wel eene aardsche zegening, welke door Jezus komt, - wij hebben altijd het voorregt te mogen zeggen: "Gij bewaart mijn lot."

En ook dan slechts, als wij den Heer als het deel onzer erve en onzes bekers, en als onzen behouder kennen, zijn wij in staat om te zeggen: "De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen, ja, eene schoone erfenis is mij geworden." Tegenwoordig wordt dit bij de vromen weinig gehoord. Deze liefelijkheid is weinig bekend, en waarom? omdat men zoo weinig den Heer geniet. En toch in dezelfde mate, als wij God kennen en in Hem rusten, vinden wij ware vreugde, en verstaan dat ons "de snoeren in liefelijke plaatsen gevallen zijn." Heil hun, die deze ervaringen trachten te verwerkelijken. Maar, ik herhaal het, dit is het, waarin de geloovigen zoo veelvuldig achter zijn, - in de praktische erkenning van God in al hunne wegen. En waar men in staat is te zeggen: "Ik heb met den Heer gewandeld en bij Hem raad gezocht," daar zal men ook bij magte zijn Hem te loven, en te kunnen zeggen hetgeen wij in het 7de vers van dezen psalm lezen: "Ik zal den Heer loven, die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijne nieren." Dat is een gelukkige toestand. Maar alleen dan, als de ziel met Hem wandelt, kunnen wij van datgene wat wij ondernemen gelukkige gevolgen verwachten. Hebben wij zelven onze wegen gekozen, dan vinden wij alleen ongeluk en verlatenheid, en wij zullen niet in staat zijn den Heer te prijzen, en te zeggen: "Ik loof den Heer, die mij raad heeft gegeven." Dit vers beschrijft als het ware de vreugde van eenen gelukkigen oogstdag, als gevolg van onzen wandel naar den raad des Heeren. Menigwerf zijn wij zoo eigenzinnig, zoo haastig en nalatig, dat wij iets doen waartoe wij zoo zeer Zijnen raad noodig hadden gehad, en toch zoeken wij dien raad eerst naderhand. En dan kunnen wij den Heer niet loven, als Hem die ons raad gegeven heeft; ook al is het mogelijk, dat wij Hem daarom loven, dat Hij ons gered heeft van de dwaasheid onzer eigen gekozen wegen.

Hebben wij niet alleen den Heer, maar ook Zijn Woord tot onze leering, en den Heiligen Geest die in ons woont, om ons raad te geven en te leiden en ons Zijne eigene gevoelens en neigingen mede te deelen, dan kunnen wij gerust onzen weg gaan. De vrome heeft, eene verborgene magt om zich zelven te oordeelen, en menigmaal "bij nacht," wanneer de omstandigheden die hem verontrustten niet tegenwoordig zijn, worden wij door den Heiligen Geest onderwezen en vermaand. "Ik loof den Heer, die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijne nieren." Dit is werkelijk een tegenwoordige en ware zegen. De Heilige Geest woont in ons; de Geest van Christus is in ons; en indien wij meer acht sloegen op deze verborgene vermaningen, op deze verborgene magt om ons te oordeelen (natuurlijk geleid door het Woord), zoo zouden wij zelven overtuigd zijn van deze werkzame magt, die de wereld nooit kan ondervinden.

Wij hebben onzen geliefden Heer beschouwd als degene, die het pad der verdrukking bewandeld heeft, en hier zien wij Hem aan het einde Zijner wegen. "Gij maakt mij het pad des levens bekend; verzadiging van vreugde is bij uw aangezigt, liefelijkheden zijn in uwe regterhand, eeuwiglijk." Teneinde in staat te zijn dit te verstaan, moeten wij het onderscheid tusschen dood en leven begrijpen. Wij lezen in het vorige vers: "Want gij zult mijne ziel in de hel niet achterlaten; Gij zult niet toelaten, dat uw Heilige de verderving zie." Nadat Jezus het verlaten zijn van God ondervonden had, werd Hem "het pad des levens en verzadiging van vreugde ter regterhand Gods bekend gemaakt." Hier is iets, geliefde broeders, waar wij den Heer op den weg Zijns lijdens niet kunnen volgen; wij kunnen nimmer ervaren wat Hij ondervonden heeft. Hij heeft den toorn Gods gedragen, den toorn, die wij nimmer voor ons zullen dragen. Wij kunnen verdrukking, smart en lijden hebben; maar de uitkomst is zeker en gewis. Wij mogen ook iets van het pad des levens kennen, wanneer wij dat weten te onderscheiden van het pad des doods. Dit echter kunnen alleen de heiligen. Indien de Geest die in ons woont, ons gebragt heeft tot erkenning van het pad des doods, wijl hij de "levende Geest" is, zoo kunnen wij begrijpen, dat al het liefelijke en schoone hier beneden verderving wacht, en de teekenen des doods in zich draagt.

Nu, alle hinderpalen en moeijelijkheden die wij hier zoo vaak ontmoeten, zullen ophouden; en dan zullen wij ervaren wat het is, het "pad des levens" te zien en daarop te wandelen, en dat wel met hetzelfde gevoel van vreugde, waarvan onze geliefde Heer in Joh. 17 spreekt. Jezus zelf was in deze omstandigheden, en Hij heeft ons dit hoofdstuk nagelaten, opdat wij door de erkenning van Zijnen dienst en van Zijne wegen getroost zouden worden, om zoowel in deze omstandigheden als ook in de heerlijkheid hier namaals met Hem deel te hebben. En daar het zeker is, dat wij het einde des zegens bereiken zullen, zoo moesten wij thans deze omstandigheden niet vreezen, maar veeleer wenschen in dezelve geleid te worden, dewijl wij er iets van den gezegenden wandel van Jezus in leeren ondervinden. De ziel, die niet nalatig, maar integendeel geoefend is, erkent dat deze toestand in welke Jezus hier wandelde, de eenige toestand is in welke de zegen Gods blijven kan, en welke zij derhalve wenschelijk acht.

(Words of truth.)