Troost voor een gewond hart.

Het is zeer vertroostend, wanneer wij de liefderijke hand des Heeren in al Zijne wegen met ons opmerken. Hij kan slechts liefhebben; het gerigt is voorbij. De liefde alleen blijft voor de geliefde kinderen Zijner genade over. Geene straf dreigt ons van Zijne vaderlijke hand. Hij tuchtigt ons; maar wanneer Hij het doet, dan is het, "om ons Zijner heiligheid deelachtig te maken." (Hebr. 12:10). Dank zij Zijnen naam toegebragt, als de tuchtiging eene diepe wonde in het hart slaat, want dan is de teedere liefde van het Vaderhart gereed om de wonde te heelen

Deze liefde kan zich in verschillende wegen openbaren. Somtijds doet Hij ons een' blik werpen in de ellende en het verderf van onze eigene natuur, zoodat wij onmogelijk op ons zelven kunnen blijven zien; en dan zijn wij verheugd, dat wij ons tot Hem kunnen wenden en alleen op datgene zien, wat wij in Jezus zijn, die ons in de tegenwoordigheid des Vaders heeft gebragt. Het is de wensch van Zijn liefdevol hart, dat wij ons daar bevinden. - Zulke ervaringen hebben David, Petrus, Paulus en vele anderen gehad.

Het gebeurt echter dikwijls, dat Zijn liefdevol hart, dezen gezegenden uitslag door eene smartelijke wonde wil daarstellen. Hij verbreekt in het hart den eenen band na den anderen, tot Hij ten laatste komt, om ook dit te verscheuren; daar Hij alles geheel en alleen voor zich wil hebben. Zijne liefde kan geene mededingers verdragen.

Maar, hoewel de bloedverwantschap op rde verbroken wordt - zoo wordt zij echter in de opstanding vernieuwd, om niet weder verbroken te worden Alsdan is zij bevestigd en voor eeuwig hersteld en dat wel in de reinste en volmaakste heerlijkheid. God moet ons GEHEEL EN AL VOOR ZICH hebben. Hij kan niet toelaten, dat Zijne kinderen eenen anderen met liefde aanhangen. Maar welk eene heerlijke gedachte. De band, dien Hij op aarde heeft losgemaakt, heeft Hij in den hemel, in de opstanding en de heerlijkheid, weder aangeknoopt. Hij is alsdan slechts te vaster en heerlijker en niets, niets kan hem weer losrukken. Vroeg of laat moet iedere band van ons hart, met alles, wat ons eigen ik toebehoort, verbroken worden; en het wordt voor eene heerlijke eeuwigheid weder hersteld.

Dit alles is voor ons waar in den gezegenden Jezus. Hij heeft alles weggedaan , wat ons van. God kon scheiden en heeft ons overal en door alles heen geholpen; en nu is het Zijn wensch, dat wij in betrekking tot deze dingen zullen zijn , gelijk Hij is. Hij heeft Zijnen weg in de tegenwoordigheid Gods gevonden en heeft zonde, natuur, wereld en alles wat daarin is, achter zich gelaten. En nu zegt Hij tot ons: "Ziet, wat ik voor u gedaan heb. Gaat nu in de werkelijkheid in en smaakt van alles de zoetheid. Alle dingen zijn u. Heft uwe oogen op en aanschouwt de heerlijkheid; strekt uwe handen uit en plukt de druiven van den wijnstok Gods. Laat God uwe vreugde, uw bron, uw voorwerp zijn, gelijk Hij het mij is." - Er is geene rust, dan in den levenden God, - geen geluk buiten Hem

(Uit het Hoogduitsch.)