Eenige gedachten over Psalm 94.

 

Bij de overdenking van dezen psalm mogt ik bijzonder bij de vertroostingen Gods in de verzoekingen der heiligen stilstaan. - In vs. 11-13 lezen wij "de Heer weet de gedachten des menschen, dat zij ijdelheid zijn" (vs. 11). En dan: "Welgelukzalig is de man, o Heere! dien Gij tuchtigt" enz. (vs. 12, 13).

De verheffing des menschen is dwaasheid, en evenzoo al zijne voornemens. Zijne "gedachten" zijn niet geringer, dan de wijsheid Gods, maar zij zijn "ijdel." Alles is, van het begin tot het einde, ijdelheid in des menschen hart. Hoe liet ook met de dingen om ons is gelegen, hoe zij ons hart met kommer kunnen vervullen - God oordeelt, dat alles "ijdel" is. Hoewel de Heer alles veroordeelt, zoo zal Hij toch Zijne gedachten, die Hij bij zichzelven besloten heeft, d.i. de verheerlijking van Christus en de onze met Hem volkomen vervullen. De mensch heeft echter dit doel Gods niet tot het zijne gemaakt en daarom zijn al zijne gedachten en plannen slechts ijdelheid. Het doel Gods zal echter bereikt worden. En hoewel alle pogingen der menschen daarheen mogen gerigt zijn, om het te verhinderen, - zoo zal hun einde niets dan ijdelheid zijn.

In dezen psalm vinden wij ten eerste den aanval der vijanden en dan - wat God daarin gedaan heeft. Zoo gaat het gewoonlijk met de heiligen in hunne verdrukkingen; zij zien het werk des duivels het eerst, en dan de hand Gods, die hen zegent. De uitwerking, die deze handelingen der goddeloozen op ons hebben, is deze: "Welgelukzalig is de man, o Heere! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uwe wet: om hem rust te geven in de kwade dagen, tot dat de kuil voor den goddelooze gegraven wordt." Deze kuil is echter tot nu toe nog niet gegraven en de troon der ongeregtigheid is nog niet vernederd. - Maar al is ook de gansche magt des boozen in de tuchtiging tegen ons, zoo blijft toch de belofte des Heeren: in de kwade dagen rust te geven."

Ik spreek nu niet van het lijden voor Christus, als wij om Zijns naams wille gesmaad worden, hetgeen niets dan vreugde, triomf en roem voor ons is; maar van die dingen, die veel bekommering in ons verwekken, als wij zien, dat wij onbestendig en nalatig in de wegen des Heeren gewandeld hebben. En dan staat er toch: "Welgelukzalig is de man, o Heere! dien Gij tuchtigt!" De Heer tuchtigt ons niet zonder een bepaald doel. Zoo er eene zonde of eene nalatigheid in den wandel aanwezig is, op welke tuchtiging volgt, zoo gebruikt Hij deze gelegenheid tot tucht, om de wonde des harten te heelen. Hij rigt niet alleen de overtreding, maar ook de bron, uit welke zij voortkwam. Hierdoor wordt de ziel bekwaam gemaakt, om het Woord Gods met kracht op zich toe te passen. Zij is onderwezen, daar zij getuchtigd is; en niet alleen dat: zij is ook in de gedachten Gods ingewijd; zij kent veel meer van Zijn karakter, dat Hij Zijn volk niet zal begeven, noch Zijne erve verlaten" (vs. 14). God wenscht niet alleen, dat wij voorregten ontvangen, maar ook dat wij gemeenschap met Hem hebben. Door de tuchtiging nu wordt het hart meer in de nabijheid Gods gebragt, en tegelijk in de zekerheid der hoop gesterkt en bevestigd.

Wanneer wij Petrus beschouwen , na dat hij door den vijand was gezift, dan zien wij, dat, hoewel zijn val zeer verootmoedigend en smartelijk was, hij toch veel dieper in de kennis Gods en in het gevoel zijner afhankelijkheid van Hem is doorgedrongen. - De Heer "maakt onze ziel rustig in de kwade dagen- en dat wel door de gemeenschap met Hem - niet alleen gemeenschap in de vreugde, maar ook in de heiligheid.

De Heer tuchtigt nooit zonder daartoe eene aanleiding te hebben, en toch: "Welgelukzalig is de man, o Heer! dien Gij tuchtigt!" Dat is eene wonderlijke uitdrukking! Ik zeg niet, dat een christen dit immer in de tuchtiging kan zeggen, want het rigten van zichzelven is dikwijls met angst en zorg verbonden; maar de uitwerksels zijn gezegend. Wat wij wenschen, is, dat al de gedachten, wegen en handelingen van onzen eigen wil mogten weggedaan worden, en dat God ons alles zij. - God veroorlooft niets in de harten wat met de heiligheid waaraan Hij de geloovigen heeft laten deelnemen, in strijd is. Het is inderdaad de gezegende genade en liefde des Vaders, welke zich zoo veel moeite voor ons geeft.

Hetgeen wij het meeste noodig hebben, is de omgang des harten met God - te rusten in Zijne rust, hoewel alles om ons heen verwarring en oproer is. Wanneer wij, omgeven van ongeregtigheden van allerlei aard, nabij Zijn hart zijn, dan zullen wij ook Zijnen troost ervaren, gelijk geschreven is: "Als ik veel kommer in mijn hart had, zoo vervulden Uwe vertroostingen mijne ziel" vs. 19. Ons deel is niet alleen de rijkdom der genade Gods, maar ook het geheim des Heeren te kennen, met Hem in Zijne heiligheid innige gemeenschap te hebben. Hoe ook de omstandigheden ons tegen mogen zijn, zoo rust toch onze ziel gelukkig en tevreden in Hem.

Zoo wij steeds een vollen en onverstoorden vrede en eene innige gemeenschap met God hebben, wanneer wij te midden van de verzoekingen door deze niet bewogen worden; zoo zullen wij niet alleen weten, dat alle dingen in Christus ons toebehooren, maar ook eene kennis van God zelven verkrijgen, gelijk geschreven staat: "Vrucht dragende in alle goede werken, en opwassende in de kennis Gods." - De Heer geve door Zijne. genade, dat onze harten steeds voor Hem mogen geopend zijn!

 (Vertaald).